donderdag 3 januari 2013

Winters eilandgevoel



Winters eilandgevoel

 Tegen tien uur in de ochtend komt het stille dorp vrij plotseling in beweging. Bussen, busjes en ander vervoer zet de motor aan en slingert zich door het dorp over weg, streek of pad naar buiten. Over de Langestreek, rechtsom de Badweg op richting Noderstraun, het duingebied en strand aan de noordkant, of eerder links het Karrepad af naar het bungalowpark en dan weer naar het dorp terug, over de Middenstreek tussen Hotel van der Werff en de supermarkt door.
Vertrouwde plekjes passeren mijn busraam. Ik kijk ze weemoedig na: de 18e eeuwse eilanderhuisjes, de grijze watertoren, de kerk, de twee hoog oprijzende walviskaken, het beeld van de monnik, de rode vuurtoren op de achtergrond. De bus laat het dorp aan de zuidkant achter zich, maakt op de Reeweg wat meer vaart en rijdt in vlot tempo over de Heereweg, dwars door de polder. In de weilanden zie ik enorme aantallen donkere ganzen grazen. Er zijn twee groepen, iets verschillend in uiterlijk, op flinke afstand van elkaar.  De namen …………, elke keer weer vergeet ik welke tekening bij welke soort hoort. Voor eens en voor altijd: de kleine ronde gans met zwarte hals en kop is de rotgans; de soort met zwarte hals maar voornamelijk witte kop is de brandgans. Ze komen uit ongelooflijk barre streken, waar ik zelf zeer waarschijnlijk nooit een stap zal zetten. Als de winter daar invalt, vliegen deze soorten naar zuidelijker kustgebieden. Uit Siberië komt de rotgans hier overwinteren en vanuit het onherbergzame Nova Zembla strijkt de brandgans neer. Taxibusjes schieten sneller dan mijn bus over de weg. Zij reppen zich in vliegende vaart van en naar het dorp om zoveel mogelijk vrachtjes te vervoeren. Einddoel van al dit gedruis: de veerdam aan de wadkant van het eiland en de boot van 10.30 u. naar de vaste wal.
Altijd dat lastige afscheid nemen, ook na zoveel keer. Even rekenen brengt man en mij tot de ontstellende conclusie: we komen hier al zo’n 40 jaar! Als student, als jonge ouders en op dit moment, ja als oudere ouders. Einde verblijf nu. Op de veerdam staan we achter het hek met vele anderen te wachten in de winderige kou tot we aan boord mogen. Warme chocolademelk met een gevulde koek, dè boottractatie, biedt steevast schrale troost.
Krijgen de eilanders nooit ‘s genoeg van  die golven toeristen die op hoogtijdagen het eiland overspoelen? Ik vroeg het ooit aan onze huisjesverhuurster. Haar antwoord verbaasde mij in eerste instantie. Want zij vertelde mij dat de autochtonen blij zijn met de toeristen; die brengen –naast inkomsten- leven in de eilandse brouwerij. In het wat benauwende dorpsnetwerk van ons kent ons, ons houdt ons in de gaten, vormen de toeristen de welkome storende factor in de vaste patronen. Eilanders moeten wel openstaan naar de buitenwereld, het is hun behoud. De historie laat die gerichtheid naar buiten zien. In voorbije eeuwen telde het eiland onder zijn bevolking naast boeren en vissers zeilvaarders, die handelswaar over zee naar andere gebieden verscheepten. Er heeft op het eiland ook een Zeevaartschool voor opleidingen in de koopvaardij bestaan. In de tweede helft van de vorige eeuw waren veel eilanders nog verder van huis. Als walvisvaarders voeren zij op de Willem Barendsz uit naar de Zuidpool. Zij werkten er van oktober tot april onder gezag van de Schierse kapitein Klaas Visser. Al eerder, eind 19e eeuw kwam er voor het eiland een nieuwe inkomstenbron bij. De eerste voorzieningen voor toeristen werden getroffen. Tot op de dag van vandaag breiden die zich uit.
De vroegste geschiedenis van ons favoriete eiland vertelt zijn naam. In de Middeleeuwen kwamen monniken in grijs habijt gekleed, de zogenoemde ‘schiere’ (grijze) monniken naar het eiland (‘oog’). Zij waren afkomstig van de abdij Klaarkamp, een groot klooster op het Friese vasteland, het eerste in Noord-Nederland. Het was gesticht door Cisterciënzer monniken uit Duitsland. Schiermonnikoog kreeg met de schiere monniken zijn eerste (bekende) vaste bewoners. Eind 16e eeuw, in de tijd van de Reformatie, werd de machtige abdij Klaarkamp gesloten en afgebroken en het eiland uit handen van het klooster genomen, waarna door koop en verkoop een reeks van eilandbezitters elkaar opvolgde.
Je zorgen, je veeleisende werk eruit lopen dat doe je op het eiland. Uitwaaien over de extreem brede stranden, klimmen door de duinen. Flink de pas erin door kwelder en strandvlakte, de gebieden waar je bijna niemand tegenkomt, althans in de winter. 



Wit was het eiland dit keer. Wit van de sneeuw en wit van de dichte mist. De zon liet zich niet zien. Een oergevoel en een aangrijpende verlatenheid, passend bij de stilte komen over je tijdens een winterwandeling in de uitgestrektheid van het eiland:
We lopen langs de polder naar het oosten tot waar het pad afbuigt en iets omhoog voert. Voor ons uit daalt het richting kwelder af. Ik stop, zet een paar passen terug. De mist in het landschap voor mij duwt mij ervan weg, benauwt mij. Hoe zou ik mijn weg kunnen vinden in deze verlatenheid? Ons voorlopig eindpunt zouden de Kobbeduinen zijn. Bij wat helderder weer wijst het baken op de top van deze duinen je de weg vanuit de verte. Het baken is een karakteristiek houten teken in de vorm van een driehoek. Het staat op de kaart aangegeven als ‘Baken Rijksdriehoeksmeting’ en wordt gebruikt voor landmetingen; het diende ooit tevens als navigatiepunt voor zeevaarders. Het is voor ons totaal onzichtbaar. Manlief praat mij het beijzelde veerooster over en dan stappen we dapper de mist van de kwelder in. Tussen de sneeuw zijn eikvarens en distels het weinige groen dat je af en toe ziet langs het pad. Om je heen is het naar alle kanten wit met daartussen tinten bruin, van heel licht beige tot roodbruin, diepbruin, bijna zwart. Vanuit het wad steken donkere slenken diep de kwelder in. Via gladde bruggetjes steken we ze over. Wanneer onze herinnering verstek laat gaan, vegen we de sneeuw van ANWB paddenstoeltjes op de route en lezen af welk pad in de voorgenomen richting voert. 
De Kobbeduinen waren in het verleden veel minder begroeid dan tegenwoordig en vormden een prima broedplek voor meeuwenkolonies. Uit dit gegeven is de naam voor de plek afgeleid: in de eilandertaal betekent kobbe meeuw. Het baken op de Kobbeduinen is uitgegroeid tot een Schier-symbool. Het staat op de fles van een alleen plaatselijk verkrijgbare eilanddrank: het Kobbeslokje. Een heerlijke kruidenlikeur. Op soms tè lange wandelingen in de kou kun je hevig verlangen naar het Kobbeslokje dat je weer warm zal maken. Uit het ritme van mijn stappen begin ik dan een rijmpje te bedenken om het monotone voortgaan te onderbreken en de nog af te leggen weg voor mijn gevoel te bekorten: ‘Kobbeslokje, kobbeslokje kom naar mij toe/ Kobbeslokje, kobbeslokje ‘k ben al zo moe/ Ik ben pas op het Scheepstrapad/ en het lopen meer dan zat/ Kobbeslokje, kobbeslokje ..…… 
           We klimmen omhoog de Kobbeduinen op en passeren de struiken van de duindoorn. De oranje bessen zijn lichtvlekken in de donkere planten. De duindoornbessen worden gegeten door vogels. Omdat de bessen kunnen gaan gisten in dit jaargetijde, kunnen ze bij inname dronken spreeuwen, lijsters en kramsvogels opleveren. Ik stel mij een feestje voor van vrolijk kwetterende en tollende vogels, maar dat mochten we niet aanschouwen.
         Duindoorns fungeren als waardplanten voor veel vlindersoorten. Op de Kobbeduinen resideren de rupsen van de Bastaardsatijnvlinder in deze struiken. In het najaar spinnen ze een nest in de takken en overwinteren daarin. Wanneer het warmere seizoen nadert, verpoppen de rupsen zich; in juli vliegt de Bastaardsatijnvlinder uit: een sneeuwwitte nachtvlinder met bruin achterlichaam. Na de zomer begint het proces opnieuw. Eens bestormde begin september een legertje biologen in opleiding de Kobbeduinen om onderzoek te doen ‘aan’ –zoals zij zeggen- deze rups/vlinder. Waar zij zich exact op richtten, is mij een raadsel gebleven. Maar ik zag hen kruipend onder de struiken en spinsels vandaan komen, als ik kwam aanfietsen met hun middagmaal. Dit had ik in mijn fietskar achter mij aangetrokken vanaf een oud familiehotel, dat inmiddels vergaan is. Daar verbleven de studenten en daar was ook het maal voor hen bereid door de ‘kookploeg’ waarvan ik –student van een niet-biologiefaculteit- deel uitmaakte. Het was nog een aardig eindje fietsen met de zware kar vol melk, karnemelk, brood en fruit over het Bospad, Scheepstrapad en ten slotte het Johannes de Jongpad. Maar het was altijd mooi weer en als lid van de kookploeg had ik kost en inwoning in het hotel gratis. In ruil voor deze werkzaamheden: ’s ochtends vroeg op om de ham, de boterhamworst en de Goudse kaas in de koele kelder tot dunne plakjes te snijden met de machine, het brood te snijden en thee en koffie te zetten. Dan de boodschappen bij de (toen nog) diverse winkels in het dorp verzamelen voor het avondeten. Alweer een kar vol. ’s Middags de lunch aanleveren op het onderzoeksterrein en ’s avonds de warme maaltijd. Op de slotavond was de hoofdschotel steevast konijn, dat we in grote stoofpannen bereidden. Tussen al deze studentenverzorgingen door bleef er genoeg tijd over om van Schier te genieten. Te wandelen, te vliegeren, te fietsen en op zaterdagavond de disco in. Het was mijn eerste, fantastische kennismaking met het eiland. 
         De Kobbeduinen liggen achter ons, net als die roerige studentenjaren. En net als de jonge-ouder-jaren, waarin we fietsend met onze kinderen het eiland verkenden. Met Pasen eieren verstopten in een duinpannetje. Het was koud, de kinderlipjes kleurden alras paars en we moesten op zoek naar een warme plek met pannenkoeken en erwtensoep. We lopen verder door de kwelder, oudere ouders nu met een tamelijk rustig leven. De mist is aardig opgetrokken. Maar in de beginnende schemering nadert het Berkenbos als een duister en onheilspellend sprookjesbos. De ingang een donker hol. Ik deins terug, net als tevoren op de grens van polder en bemist kweldergebied. We moeten verder, door het bos op weg naar ‘huis’. Man trekt mij opnieuw door mijn beklemming heen. Ik geniet weer. Op de takjes van struiken die langs het pad groeien zie ik doorzichtige ijslaagjes. Ik til er een voorzichtig op; het glazen model volgt precies de vorm van de knoesten en vertakkingen van het origineel. De sneeuw op de boomtakken werkt als neonverlichting in de bijna duisternis en tekent de vormen. Poeltjes langs de weg met de daarboven hangende takken maken een contrastrijke eenheid van beeld en spiegelbeeld: de sneeuwwitte takken bòven het water weerspiegelen hun donkerbruine onderkant nog net zichtbaar ìn het water.
We verlaten het bos. Het is donker geworden. De volle maan laat het besneeuwde pad oplichten. In de verte strooit de vuurtoren zijn licht rond. Nog even…….



         


Ik weet dat Schier voorlopig in mijn lijf blijft zitten. In mijn benen, in mijn hoofd, in mijn hart. Ik kan er weer een tijd mee voort.



Informatie ontleend aan:

Louise Mellema: Tussen Scholbalg en Lauwers; Ballade van een eiland, 1953/54, Schut, Schiermonnikoog.




zondag 18 november 2012

Hollandse zomer



Hollandse zomer

Ik vaar graag mijn eigen koers onafhankelijk van man, maar soms ook niet. Zoals vandaag. Ik ben mij overspannen aan ’t werken op de computer thuis. Want ‘Het moet af!’ Zweet loopt aan alle kanten langs mijn lichaam; het is ook binnenshuis inmiddels snikheet geworden. Af en toe hoor ik wat gedonder in de verte. Tegen vieren is het echt tot stikkens toe benauwd. ‘Kom, we gaan weg met de kano’, zegt manlief die weet dat hij mij met deze verlokking kan wegtrekken van mijn stress. We binden de kano op de auto en rijden in 10 minuten naar ons favoriete plekje. 
Bij de overdraagplaats laten we ons mooie vaartuigje voorzichtig in de wetering neer. Er vallen druppels op het water die niet afkomstig zijn van het zachte plonsje dat de tewaterlating veroorzaakt. Mijn twijfel, of dit het juiste moment is om het water op te gaan, groeit. Maar ik zeg niets, ik wil heel graag varen. ‘Stap in, we gaan’. Man zit al op zijn stoeltje, vaarklaar. We glijden bijna geruisloos tussen de gele plomp en de libelles door. Het is een prachtig plaatje, dat voor mij ligt uitgestrekt. Het geeft mij sterke associaties met mijn jeugdjaren en heerlijke eindeloze zomers. Ik ontspan. De wetering verbreedt zich tot een grote vijver. Nijlganzen met zeven jongen in hun waterspoor steken over. Aan de overkant houden twee zwanen de wacht bij hun nest. ‘Daar wil ik niet te dicht bij komen’ denk ik hardop. ‘Wìj hebben peddels’ reageert man. Een eindje rechts voor de boot steekt een grote, dieppaarse rug- en staartvin boven het water uit. Wij eropaf. Wauw! Een enorme kolk in het water en langs stuurboord zwemmen twee wel  60 cm lange donkere vissen weg. Later verschillende malen weer die vinnen boven water. Ik word bijgepraat door de bioloog achter mij: ‘Ze paaien. Misschien zijn het zeelten.’ Zeelten leven graag in rustig water met flink wat plantengroei. De vissen kunnen tot 70 cm lang worden. Het vrouwtje kan in de paaitijd tot 800.000 eitjes afzetten. We laten de vissen met rust en gaan zachtjes verder. Het is toch droog gebleven, maar de lucht kleurt grijs. Steeds is wat gerommel in de verte te horen. 
De wetering vernauwt zich weer, we koersen af op een bosgebiedje dat een kasteeltje omringt. Aanleggen is niet moeilijk en we wippen aan land. De brandnetels zijn moeilijk te ontwijken, maar verderop loopt een begaanbaar pad. Het kronkelt langs de achterzijde van het huis door een strak aangelegd park. Terwijl we de weerspiegeling van het gebouw in de kasteelvijver bewonderen, zie ik vanuit mijn ooghoek iets naderen over het pad. Het iets blijkt een vrouw te zijn. Met een roodbruine bloedhond aan haar zijde. O –oooo. De hond zit wel aan de lijn, hoewel lijn………. Het is een prachtig leren koord, dat ze in haar hand houdt. Het eindigt als goed zittend borststuk bij de hond. “Hoe komt u hier?” Doodnormale uitleg volgt van onze kant: Peddelen - hé kijk, mooi! – aan- leggen - wandelen. “Aan de voorkant staat een bordje ‘Particulier eigendom’.” Tja, aan deze kant niet. We maken rechtsomkeert, morrend dat we toch niet bij vergissing in Engeland van boord zijn gegaan? Private property slaat je daar regelmatig om de oren. 
We glijden verder over spiegelglad water. Bij een open plek zie ik iets bijzonders door de lucht schieten. Hé, blauwturquoise, nauwelijks staart. Hier bij het water. Ja, ik zag een ijsvogeltje! We peddelen  gezamenlijk, ieder aan de eigen kant. Ik beweeg mijn peddel links, man houdt hem rechts. Iedere keer wanneer we teveel naar rechts dreigen af te zakken, roep ik naar achteren voor wat meer inzet voor een rechte koers. En iedere keer de rust vandaar: ‘Ik stuur wel’. En het gaat goed, we raken de oever niet. Dan weer laten we ons stilleggen, luisteren en kijken. Helaas kennen we al die vogelgeluiden niet. Maar de plantjes wel. Zwanenbloem, egelskop, kattestaarten staan in bloei. Op een vooruitstekende landpunt reiken wilgenroosjes in roze hoog rond de stam van een boom, wat lager groeit donkere zuring in goed contrast daarnaast en onderlangs, al half in het water blauwen de moerasvergeetmijnietjes. Alsof een kunstenaar zijn best heeft gedaan op deze wonderschone compositie. We ‘nemen’ een brug die zo laag over het water hangt, dat we onze hoofden moeten laten verdwijnen in de kano. Dan op de linkeroever, net over het water buigend bramenstruik na bramenstruik zwaar van de vruchten. Helaas zijn de bramen nog rood. We fantaseren, hoe we die over enkele weken zouden proberen te plukken: de kano helt vervaarlijk over en ……… We krijgen de slappe lach van ons eigen Ot-en-Sien verhaal: “Moe, Sien wilde de bramen plukken.” “Want moe wilde jam maken.”  “De takken prikten”. “Sien huilde.” “Sien gleed uit”. “Toen gleed Ot uit.” “De sokken van Ot werden nat.” “Nu heeft Ot nog 1 klomp.” “Moe huilt.” “Is moe boos?” “Nee, moe is blij.” 
We varen door tot we aankomen bij de vistrappen, die pas zijn aangelegd in de buurt van een dorpje. We trekken de boot half op het land, binden hem met een koord vast aan een paaltje in het weiland en gaan over land op verkenning uit. Een groepje jongens is aan het zwemmen in de wetering. Om beurten springt er een van het bruggetje af, terwijl een ander een ring in het water vasthoudt. De springer moet zorgen precies door de ring heen in het water te belanden. De jongens excuseren zich, wanneer ze ons een beetje nat spatten tijdens onze passage. Geeft niet. De lucht verkleurt inmiddels van donkergrijs naar zwart. Een harde wind steekt op. Man stelt voor subiet de terugtocht te aanvaarden maar dat lijkt mij geen goed idee. Terwijl ik bedenk dat dit het moment is om mijn eigen koers te hernemen, valt plotsklaps een watermassa met druppels als duiveneieren zo groot genadeloos op ons neer. Harder en harder, de druppels raken ons priemend bijna als kleine stenen. De jongetjes die aan ’t zwemmen waren grijpen hun handdoek en gaan in het stukje bos aan de overkant van de weg op een bankje zitten. Hun handdoek biedt al gauw geen bescherming meer tegen de overdaad aan water. Ik ren ook naar de overkant met man in mijn kielzog. We kiezen ieder een boom uit waaronder in elk geval de harde tikken uit de watermassa iets verzwakt op ons lichaam neerkomen. Hé, de boomstam voelt warm! Aangename verrassing, die helaas van korte duur is. Het water gutst nu echt langs de stam. Twee bomen verderop staat naast de fietsen romantisch ineengestrengeld een jong paartje te schuilen, dat uiteindelijk ook zeiknat wordt. Het samenzijn wordt allengs minder hecht en de romantiek verdwijnt geheel nadat de jongen zijn fietstas heeft geïnspecteerd. Hij laat een onaangename kreet ontsnappen: de tas staat vol water. De jongen reorganiseert zijn bezittingen waarna jongen en meisje op hun rijwiel stappen en nog zonder verder iets lieflijks uit te wisselen elk een kant op rijden. Het meisje kan nog net schuchter en halfvragend uitroepen ‘Tot maandag.’ Ze verdwijnen in de muur van regen. Eindeloos lang duurt het. Lijdzaam staan wij daar, hoofd gebogen. Elk draadje van elk kledingstuk is nu doorweekt.  Waar denk je dan aan? Ik denk aan vluchtelingenkampen. En dat het moet ophouden, NU.  De jongens komen bij mijn boom staan. ‘Ik vind dit niet meer leuk. Het moet stoppen!’ zegt een van hen benauwd. Ik sla automatisch een arm om hem heen. Doornat vertrekken ze na een tijdje toch naar hun dorp dichtbij. Een taxi sjeest langs. Manlief en ik  wachten, wachten, wachten ieder onder de eigen boom. De taxi sjeest weerom. Na een eeuwigheid gaat de wolkbreuk over in regen en nadat die ook nog lange tijd over ons is uitgestort, begint de laatste fase: het druppelt. We zetten ons ijzig in beweging. De aangeplakte kleding laat los van de huid en valt er steenkoud op terug. 
Rillend bereiken we de plek waar we de kano hebben achtergelaten. Hij ligt er zo te zien gelukkig onbeschadigd bij. We zijn zuinig op onze kano, en trots. Hij is een oud, maar bijzonder gekoesterd bezit voor ons. ’s Winters past hij in een plunjezak, ’s zomers is hij vier meter lang nadat wij alle houten delen netjes op hun plaats in het omhullende dek hebben weten te klemmen. Dit gebeurt onder grote spanning, zowel van alle houtjes als van onszelf. De boot blijkt wel heel erg vol gelopen met water. Net als die keer in Frankrijk. We hadden onze kano op de auto gebonden na een dagje varen op een meer. Onderweg overviel ons een stortbui, net voor wij ons met ons gevaarte door de kronkelstraatjes van een dorpje wilden wurmen. Het leek allemaal nog wel mee te vallen, totdat we ergens een plotseling steil neergaande weg afreden. De kano, verzwaard door zijn vloeibare inhoud, schoof met de punt zo ver naar voren dat verder rijden niet verantwoord was. We stopten en alleen met hulp van sterke mannen lukte het de boot van de auto te tillen en het vaartuig om te kiepen. 
We kiepen hem nu ook om en kleumerig nemen we weer plaats op onze stoeltjes. Toch genietend varen we terug. De natuur is zoals tevoren plotseling heftig ontladen nu even plotseling weer stil. Het water is gladgestreken, bomen druppen wat. De vogels zingen fantastisch. De Nijlganzenfamilie trekt opnieuw door het vijvertje, nek en kop fier rechtop, de veren glad. Niets gebeurd. Opeens klinkt rechts van ons een metaalachtig ‘tie tie’ vanuit de dichtstbijzijnde boom. We houden stil. Wat gefladder boven ons en daar zeilt ie laag over het water voor de boot uit. Zoeffffffffff. Fluorescerend blauw in straaljagervaart. Opnieuw het ijsvogeltje, dat ons in verrukking brengt. We peddelen voort en naderen koud en toch ontspannen het aanlegpunt, waar we ook ons tochtje begonnen.   
‘Hé, kijk nou!’ Vanaf de wal ketst de uitroep over het water naar ons toe. Ik denk: een bewonderaar van onze kano. Ik kijk op en ja, ‘Huh????’, iets anders kan ik niet uitbrengen. Stomverbaasd zijn we, want op de kant ligt onze kano! Prachtig uitgestrekt ligt het grijze kunststof afgedekt met blauw canvas. Zo zijn we onszelf nog niet eerder tegengekomen. Praatje met man en dochter die ter plekke hun kano zojuist ‘even’ in elkaar hebben gezet. De man vertelt dat mariniers op oefening zo’n boot vanaf losse houtjes tot vaarklaar moeten maken in het donker. Vaarervaringen wisselen we uit, de zon schijnt weer. Zij gaan varen, wij gaan naar huis. De warme douche is een weldaad.

zondag 23 september 2012

Koninklijk



Koninklijk

Griepje. Dat ‘pje’ dat hoop ik maar. Verveeld lig ik op mijn ziekbed te midden van de tissues en de anti-hoest middelen. Ik word moe van alles waaraan ik begin. Dan maar flink passief de TV aan. Sinds jaren kan ik weer eens getuige zijn van het volledige ritueel van Prinsjesdag. Laat ik deze gelegenheid maar te baat nemen. Altijd al iets gehad met de monarchie en ons koningshuis. Dat deze mij als jong meisje fascineerden, vind ik niet vreemd. Maar dat ik mij als volwassen, links georiënteerde, goed opgeleide vrouw nog steeds aangetrokken voel tot veel wat koninklijk is, dat begrijp ik niet. Erfelijke posities en niet gedeelde rijkdom druisen zo in tegen mijn principes. Er zijn meer volwassen, links georiënteerde, goed opgeleide vrouwen, die lijden aan hetzelfde euvel. Er is al flink wat afgefilosofeerd en uitgedacht over dit fenomeen, maar niets raakt de kern. Het zal wel iets met oerinstincten te maken hebben. Als een sprookje, waarin oeroude thema’s verborgen liggen, bedekt door het verhaal. Ik maak mij niet meer druk over het waarom van mijn fascinatie; het verschijnsel is er gewoon en ik probeer mij als vrouw op leeftijd te beheersen. Maar als kind was ik bevlogen aan het werk. Ik knipte koninklijke foto’s uit tijdschriften van mijn ouders en plakte die in mijn fotoboeken. Ik wist alles van Europese vorstenhuizen en hun onderlinge relaties. Las over ‘onze’ opgroeiende prinsessen, bekeek de foto’s nauwkeurig en probeerde mij voor te stellen, hoe zij door de prachtig gebogen gangen van de zijvleugels van paleis Soestdijk zouden lopen. Hoe zou dat voelen? Hoe zou de hal, achter de bordesdeuren eruit zien? En zou er ook een w.c. zijn? Hoe zou het ontlasten in zijn werk moeten gaan voor de koningin in zo’n prachtig avondtoilet? Het zou allemaal niet passen, in elke betekenis van het woord. Het leek mij daarom het meest voor de hand liggende, dat de koningin nooit naar de w.c. ging. Dus nee, er zou geen w.c. zijn. Het paleis intrigeerde mij mateloos. Als ik daar toch eens binnen zou mogen kijken………..

En dan, op een dag sta ik binnen en wil ALLES zien. Toen het paleis werd opengesteld voor publiek, wist ik mij aanvankelijk nog te bedwingen. Ik ging toch niet mijn kinderlijke droom volgen? Maar toen er een tentoonstelling gewijd aan de graficus M.C. Escher werd georganiseerd hield ik het niet meer. Mij werd een prachtig alibi geboden om het paleis te gaan betreden. Ik mocht het doorkruisen als bezoeker van een werkelijk unieke tentoonstelling.
Ik sta in de werkkamer van de voormalig hoofdbewoonster en houd de deurkruk in mijn handen die zij zo vaak naar beneden moet hebben gedrukt om het terras te kunnen bereiken. Ik bedenk in welke gemoedstoestanden zij dit zal hebben gedaan: vertwijfeld, verdrietig, boos, of blij, dankbaar? Toch moet ik, terwijl ik hier door het paleis wandel, vooral denken aan groot verdriet dat het huis tijdens haar leven meerdere malen heeft beheerst. In de werkkamer ligt een zalmkleurig tapijt op de grond, de wanden zijn zachtgeel gekleurd. Was het altijd zo, die zachte tinten? Naast de hare was zijn werkkamer, met blauw tapijt. Het grote raam kon hij naar beneden, tot in het souterrain laten zakken, zodat hij met een stap op het terras stond. Voordat prinses Juliana en prins Bernhard hier kwamen wonen vond de laatste ingrijpende verbouwing plaats, in 1937, tijdens hun huwelijksreis. Het paleis werd gebruiksklaar gemaakt voor een gezin. De privé vertrekken zijn nu van mens en het meeste meubilair verlaten, de boekenkasten leeggehaald. Toch ogen de werkkamers ook kaal niet groot. Hetzelfde geldt voor de woonkamer en de eetkamer. In de laatste staan twee dressoirs en de gladhouten eettafel met tafelbel. De stoelen rond de tafel waren oorspronkelijk bekleed met zwijnenleer, dat nu is vervangen. Het geheel was een cadeau van Curaçao voor het destijds jonggehuwde paar. Als HIJ tijdens de maaltijd op de tafelbel drukte, zo wordt de bezoekers verteld, kwam een lakei in vol ornaat opdraven. Met de maaltijd uit de voedsellift die vanuit de keuken, in de keldergewelven, omhoog was gestuurd. Hij bediende de tafelbel, zij diende het land.

Traditionele beelden schuiven voorbij op mijn TV. Tijdens de rijtoer wordt de historische betekenis van Prinsjesdag door de commentator uit de doeken gedaan. En het nieuwe van deze derde dinsdag in september, zo babbelt de commentator verder, is dat er dit jaar (het is 2012) enkele lijfwachten meelopen naast de gouden koets. De mannen doen mij denken aan de beschermers van de Amerikaanse president. Ze lopen net zo en zien er hetzelfde uit: onopvallend donker pak, colbertje hangt los (want gereed om te rennen?), oortje in, uiteraard voortdurend om zich heen kijkend. Zou de waxinelichthoudergooier van vorig jaar opnieuw een kansje wagen? Of nee, die was voor een dagje even vastgezet. Ik vraag mij wel af: Wat is nou de bedoeling van al die honderden soldaten en matrozen met geweer langs de route? En de Cavalerie Ere-escorte nabij de gouden koets? Al die cavaleristen rijden met getrokken zwaard. Genoeg bescherming voor de koningin toch?
Ik registreer de aankomst bij de Ridderzaal en laat de troonrede op mij neerdalen. Met –heel  traditioneel- de slechte boodschap voor de economie; een zwaar jaar staat ons te wachten. Dan zie ik de koningin de Ridderzaal verlaten en aanvaardt de stoet de terugtocht naar paleis Noordeinde. Het valt mij op, dat het span glimmend zwarte paarden dat de gouden koets trekt - dit jaar acht Friese, volgend jaar zijn het acht Gelderse verneem ik -, niet geheel in cadans loopt. Het voorste paard links (voor de kijker) trekt alsmaar opzij met zijn of haar hoofd. Het hoofdstel zit het dier niet lekker, lijkt mij. Ik volg mijn koortsbeelden en zie dit paard de andere zeven meenemen in een poging zich te bevrijden. ‘Met z’n achten staan we sterk. Kom op, we kunnen die mannetjes in hun witte broeken en zwarte pakken de baas!’ De linksvoor is bijna losgebroken, de koets maakt steeds meer vaart. De lijfwachten kijken nerveus. Dan beweegt het handvat aan de gouden deur van het rijtuig, van binnenuit wordt het portier geopend en H.M. verschijnt op de treeplank. ‘Laat mij maar even’, gebiedt ze de mannetjes. Ze gooit haar medium stiletto’s met een ferme zwaai de menigte in, trekt haar toilet op tot kniehoogte en springt. Onder aanmoediging van het volk zet ze op kousenvoeten een spurt in naar het voorste paard. Zij wint de wedstrijd, grijpt het paard bij hoofdstel en teugel en wipt er soepel bovenop. Ja, je kunt zien dat mevrouw nog steeds rijvaardig is, ondanks haar hoge leeftijd (74). Haar lange jurk (champagnekleurige zijde met zwart kant) bolt aan de achterzijde netjes rond de kont van het paard, haar mouwpanden wapperen stevig in de wind. De mannetjes zijn compleet in verwarring. Dit hebben ze niet geoefend gisteren op het Scheveningse strand. Wat te doen? Als de Majesteit de teugels in handen heeft, zit er niets anders op dan haar te volgen. Het volk is uitzinnig van trots en H.M. grijnst. Ze hoeft niet meer te zwaaien want dat kan niet; haar handen hebben werk te doen. Zij voert het tempo nog even op. Dit is de intocht van haar leven. Zo heeft ze het allang gewild. Eigenhandig voert zij de stoet tot precies bij de voordeur van haar werkpaleis, stopt en stijgt af. Ze trekt haar jurk recht en strijkt hem met een hand even glad. De hoed staat nog steeds als een huis en alle veertjes hangen er nog aan. Een lakei komt buiten adem aangerend met haar muiltjes. En terwijl hij die rond haar voeten plaatst (ze passen!), slaakt zij een uitgelaten zucht: “Hè, dat was heeeeeerlijk!” Een oorverdovend ‘Oranje boven’ klatert haar tegemoet. Ik schrik wakker.

zaterdag 22 september 2012

Nieuwe tandarts



Nieuwe tandarts

Mijn lieve, goed luisterende, mooi vertellende, geduldige tandarts gaat met pensioen. Zonder een al dan niet feestelijk afscheid, dat wil hij niet. Hij beveelt man en mij zijn opvolger aan: een kundig iemand die niet direct dollartekens in zijn ogen heeft. Wij stelden het moment van kennismaking met de nieuwe tandarts steeds uit, maar na een bescheiden herinneringskaartje moesten we wel. Vonden we. We betraden het ruime pand van de groepspraktijk en na een kwartier in de wachtkamer te hebben doorgebracht en elkaar al stilletjes opmerkingen te hebben toegefluisterd in de trant van: is dit de teneur?, worden we binnengeroepen.
Daar staat hij. De Nieuwe Tandarts. Een jongeman, een vlotte prater, zo blijkt al snel. Hij excuseert zich voor de wachttijd: hij neemt tijd voor al die patiënten die hij heeft overgenomen en voor ’t eerst ziet. Hij stelt direct de regels, zoals: ”Er wordt niet gewisseld.” “???” “Van tandarts binnen deze groepspraktijk, bedoel ik.”  Daarop spreekt hij zichzelf al bijna tegen, want hij zegt: “Het voordeel van een groepspraktijk is, dat we er altijd zijn. In de zomervakantie, met Kerst, we zijn altijd open.” Ik kan het niet laten en merk op:  “Dus dan wordt er gewisseld.” “Eh, ja”, moet hij toegeven. Die man wekt iets bij mij op, iets recalcitrants. “Allebei, gezond?” “Nou, net een griepje achter de rug. Eerste dag buiten.” Terwijl hij mij te kennen geeft, dat ik mij neer mag leggen in zijn stoel, informeert hij bijna terloops met een retorisch klinkende vraag: “U poetst allebei electrisch?” “Hij wel”, ik knik richting manlief die terzijde zit en zeg verder niets om de spanning even te laten oplopen. Zonder dat ik mijn nieuwe tandarts aankijk, weet ik dat hij op dit moment zijn wenkbrauwen fronst. Ik wacht. En ja hoor, daar komt het. Een exposé over de must van een electrische tandenborstel gekoppeld aan een voor mij nauwelijks te volgen uitleg over tandvlees dat zich met zoveel millimeters per jaar terugtrekt en zich dus bij mij nu zo’n 45x zoveel millimeters van mijn tanden en kiezen zal hebben teruggetrokken. Zo’n verhaal gaat totaal langs mij heen. Ik ben niet van de getallen. Wel wil ik nog opmerken dat hij met die 45 aan de heel gunstige kant zit, maar ik houd mij in. Hij draaft door op zijn ingezet traject en stelt mij ten langen leste als bejaarde voor die de kracht niet meer heeft om haar ‘gewone’ tandenborstel te hanteren en zich het gebruik van een electrische tandenborstel niet meer kan eigen maken. “Het mechanisch poetsen geeft zoveel gemak!” roept hij uit. “Met de hand poetsen is ook mechanisch”, breng ik er tegenin. Hij geeft mij gelijk. Ik maakt het niet vaak mee, maar ik krijg het gevoel dat dit geen gesprek is maar een wedstrijd. En volgens mij staat het nu 1-1. Wat een pedant mannetje.
Hij onderzoekt mijn gebit met tangetjes en een spiegeltje. “Veel kronen zie ik.” Ik denk bij mijzelf: Waag het niet daar iets van te zeggen! “ Is goed, op zich”, vult hij zichzelf aan, alsof hij mijn gedachten las. Hij krabt hier en daar wat tussen mijn tanden en begint nu echt dreigende taal uit te slaan. “Naast deze praktijk werk ik ook in het Sint Jozef verpleegtehuis. Wat ik daar zie! De mensen poetsen nauwelijks meer, het teruggetrokken tandvlees gaat ontsteken, ook bij de randen van de kronen”, laat hij er bedenkelijk op volgen. “Het geeft erg veel pijn. Maar het is einde verhaal: ook al is het een kroon, hij moet eruit. Ik trek daar alleen maar tanden en kiezen en meet kunstgebitten aan”. Stilte. “Schrikt u hiervan?” “Ik laat het op mij inwerken”, antwoord ik neutraal. “Gaat u naar de mondhygiëniste?” “Ja, ik was er een tijdje terug nog”, hou ik het vaag en ik bedenk dat het nu tijd is voor de finale tegenaanval. Ik ga op naar de overwinning met mijn eindklapper, want ik vertel geheel naar waarheid: “Mijn mondhygiëniste vroeg mij, nadat zij mijn gebit had geïnspecteerd: u poetst zeker electrisch?” STUPEFAIT stond mijn nieuwe tandarts mij aan te kijken. UIT HET VELD GESLAGEN. Dit is 2-1, dacht ik tevreden. Hij dook opnieuw mijn mond in. Ik vreesde een laatste uithaal, maar die kwam niet. “Het ziet er inderdaad prima uit. Mijn complimenten! Ik zie u over een half jaar terug, tenzij er complicaties zijn maar dat verwacht ik niet.” Mijn nieuwe tandarts is een goede verliezer, dat stemt hoopvol. Misschien is hij over een half jaar iets meer ontdooid en kunnen we over leuke onderwerpen een GESPREK voeren. Net als voorheen. Op de terugweg naar huis koop ik twee nieuwe, naar mijn mening mechanische, tandenborstels en een doos bonbons.